• Agenda

Hackensack – Frank Pollet

Hackensack

In memoriam Adam Schlesinger (1967 – 2020)

 

In mijn vierkant huis van stevig staal

draai ik rondjes om mijn eigen

schoenenkast. Ik verdwaal

in al mijn sokken, tel mijn handen dagelijks.

In mijn bioskop speelt elke nacht

een donkere film. Ik meet en vrees te weten,

 

lees dat

 

ook hij is gebeurd, naar

de bodem en alleen,

hoewel hij vaak zijn huis van sterke steen verliet,

hij adem voor veel werelden bezat –

in zijn blik zat het einde der tijden,

op reis naar de bodem, nooit meer terug

 

naar Hackensack.

 

Frank Pollet

 

Lung Island – Frank Pollet

Lung Island

Voor de negen
en voor al wie voor hen zorg droegen in wzc Sint-Jozef, Sint-Pauwels

 

Voor hun televisie zaten ze

hun drukke dagen te beleven

in de uren van veel anderen.

Ze ademden hun eigen adem.

 

Hun longen waren op.

 

Ze keken altijd om.

Ze niesden voor zich uit.

Ze morsten koffie, dachten dat

ze koffie dronken.

 

Ze zijn in heel mijn kop.

 

Frank Pollet

Rouwbloemen – Carl Norac (vert. Katelijne De Vuyst)

 

Rouwbloemen

 

Er zijn woorden voor alles, zeggen ze,

woorden bij het leven, bij de dood.

Elke taal een tuin waaruit we ze zo te zien

naar hartenlust plukken, en vasthouden

met een laatste restje inkt of rakelingse lippen.

Alleen missen we die woorden soms,

nee, lang niet zo hard als jou,

maar vanochtend missen we ze

net zoveel als de gezichten eromheen.

Toch hielden we van de zachte stilte –

ze nam de gedaante aan van een vogel

die opvloog en ons openstelde

voor elkaar, gewoon als we hem zagen.

We hoefden het niet te zeggen maar

we hielden ervan in je voetspoor te lopen

en de wegen baanden zich in hun eentje,

verstrengelden zich zoals de jaren.

Sinds kort wordt een andere stilte ons opgelegd,

we mogen je niet zien, niet aanraken,

en niets in ons kan de eerste lettergreep

spellen van een vaarwel.

En toch, op dit ogenblik,

nu we nog in je voetspoor lopen

en onze woorden ontbreken

of in bloemen veranderen,

zijn we bij je, waar we ook zijn.

in welk braakland,

in welke leegte jij je ook mag bevinden,

niets is vandaag aanweziger

dan onze liefde.

 

Carl Norac

Vertaling: Katelijne De Vuyst


Carl Norac: « Flores de funeral »

 

Há palavras para tudo, dizem,

palavras para a vida, para a morte.

Cada língua seria assim aquele jardim onde nos parece

fácil colhê-las, deixando-as então brotar

da ponta da caneta ou aflorar aos lábios.

Só que, por vezes, faltam-nos as palavras,

infinitamente menos que tu,

mas faltam-nos, esta manhã,

tanto como as caras em redor.

E, no entanto, gostávamos da doçura do silêncio

quando, qual pássaro

num bater de asas, nos abria

um para o outro num mero olhar.

Gostávamos, sem que fosse preciso dizê-lo,

de pôr os nossos passos nos teus

e os caminhos atavam-se por si,

entrelaçavam-se como fazem os anos.

Outro silêncio nos foi agora imposto,

sem poder ver-te nem tocar-te,

quando nada em nós sequer soletrava

a primeira sílaba de um adeus.

No entanto, ainda agora,

com os passos mais uma vez postos nos teus,

as palavras que nos faltam

ou se fazem flores,

estejamos onde estivermos, estamos presentes.

Que importa a clareira,

o vazio em redor,

nada hoje é menos esparso

que o nosso amor.

 

Cenaze çiçekleri

Her şeyi anlatan bir söz vardır diyorlar

hayat sözleri, ölüm sözleri.

Her dil bize onları kolayca seçebileceğimiz

bir bahçe gibi görünür, söz tutmak için

mürekkep ucundan, dudak kenarından.

Fakat bazen bu sözler eksik kalır,

senden sonsuzca daha az,

hele bu sabah, etraftaki yüzleri özler gibi

eksik kaldı.

Oysa sessizliğin yumuşaklığını severdik

o kuşu çizdiği zaman

uçtuğu an bizi birbirimize

tek bir bakışta açtığı an.

Söylemesek te severdik

birbirimizin ayak izlerine basarak

yollar kendi kendine bağlanırdı,

yıllar gibi üstünden geçerdi.

Son zamanlarda bize başka bir sessizlik yüklendi,

seni göremeden, sana dokunamadan,

içimizde daha hiçbir şey

elvedanın ilk hecelini seslendiremezken.

Ancak bu saatte,

adımlarımız adımlarında yeniden,

çiçeklenen veya eksik

sözlerimizle,

nereden gelirsek gelelim buradayız.

Ova ne alemde olursa olsun,

etrafı boşluk,

bugün her şeyden çok nadir olan

aşkımızdır.

 

Carl Norac

Vertaling:  Canan Marasligil

 

Aangezien – Charles Ducal

AANGEZIEN

 

Aangezien het windstil was en het gordijn bewoog,

aangezien uit mijn slapende mond een andere stem

dan de mijne sprak, zo dwingend dat

ik wakker werd, en achter mijn ogen het water brak,

 

aangezien ik hem had zien lopen, buiten de tijd,

naar een huis dat niet meer bestond,

en ik achter het raam licht zag schijnen

en dat de deur voor hem open stond,

 

aangezien ik met hem oud ben geworden

en zijn afwezigheid mij iedere ochtend opnieuw

als een te grote trui

over het hoofd wordt getrokken,

 

aangezien hij moest doodgaan, en het niet mag,

geloof ik dat er een huis is

waar hij op me wacht.

 

 

 

Charles Ducal

 

Noot van de dichter: “‘hij’ ‘hem’ en ‘zijn’ (voornaamwoorden) in het gedicht kunnen zonder problemen vervangen worden door ‘zij’ en ‘haar’. Het blijft dan precies hetzelfde gedicht.”

 

L’amour est un oiseau rebelle (voor S.G.) – Het Kapersnest

Mevrouw S. G. werd geboren op 24 september 1929 en overleed in wzc Klavertje Vier in Sint-Job-In-‘t-Goor op 31 maart 2020 aan COVID-19. ‘Ze koos ervoor op haar 90 jaar geen bed op intensive care meer bezet te houden, maar haar laatste dagen in haar knusse kamer in het woonzorgcentrum te spenderen, waar het verplegend personeel er alles aan deed om het haar nog zo comfortabel mogelijk te maken. Eeuwige dank voor deze mensen.’

 

 

L’amour est un oiseau rebelle

 

voor S. G.

 

 

bonbonneke Bonpoes, gij zijt nog steeds een model

de ster ooit zo fel straalt zacht nu en ’t zingt als Carmen

‘het koper ziet rood, het koper ziet geel’ en het zoemt

wij zuchten en missen u zoals sneeuw op de maan

 

kijk, bonneke Bonpoes, gij hebt nu engelenhaar

het valt nooit meer uit, een klok koekoekt zonder geluid

’t kasteelparkje stil, wie voedert de eendjes, maar dan

het operakoor, ’t is moeder, ze sjilpt weer Bizet

zo zijt ge ontwaakt, een lotusbloem die zich ontvouwt

 

hoor vader die speelt viool, zie de lichtjes van ’t Stad

maar wees gerust, gij zijt niemand tot last, op uw schoot

ligt Gaby te slapen, poes die straks restjes krijgt van

de rijstpap, mandala: vierkant in ’t midden, errond

een cirkel: veranda, zalig van restjes die soep

 

‘hoe is ’t met de poezen’ – Suske ziet vogels niet staan

uw lievelingsmeesjes bellen aan d’hemelpoort aan

want – ‘poesje kom’ – met een kwinkslag zijt gij altijd thuis

dus droom maar uw droom zo wit als de room van een soes

 

bonbonneke poes

 

 

 

Het Kapersnest, Noëlla Elpers i.s.m Peter Holvoet-Hanssen

 

Punt (voor C.N.) – Paul Bogaert

Mevrouw C. N. overleed op 79-jarige leeftijd. Ze was enorm geliefd door haar man, kinderen en kleinkinderen. Ze hield van dansen en muziek. Ze was een grote fan van onder meer Will Tura. Dit gedicht is daarom – voor wie het graag hoort – óók een lied (op de melodie van ‘Ik ben zo eenzaam zonder jou’).

 

voor Meter

 

PUNT

 

.

Een punt zo plots. De richting kwijt.

Het is zo ver. Het niet meer weten.

De afstand is niet op te meten.

Meter onze meeteenheid.

 

Een punt zo hard. De tijdslimiet.

Waar al die uren te bewaren?

Het grote huis en al die jaren,

jouw open armen, toegewijd.

 

Een punt zo stil, zo zwart op wit.

Maar daarin zit nu ook verborgen:

de kleur, de danspassen van morgen,

je zo charmante levenslied.

 

Dit punt wordt tegelijkertijd

de plaats voor nieuwe kinderdromen,

daar waar de lijnen samenkomen.

Een middelpunt. Het middelpunt.

 

Voor altijd toch ons middelpunt.

 

.

 

Paul Bogaert

Brief zonder venster (voor A.K.) – Lieve Desmet

Mijnheer A.K. werd geboren op 24 mei 1939 en overleed in WZC Edouard Remy te Leuven op 2 april 2020 aan de ziekte COVID-19.

Er zijn noch familieleden, noch bekenden. Het betreft  een Eenzame Uitvaart.

De sociaal werkster en een verzorgende van WZC Rémy stonden mij te woord.

 

Brief zonder venster

 

Voor A.K

 

Toen was er nog een hond die kwispelde

net vóór mijn komst en aan de voordeur was er tijd.

’s Avonds boog men zich nog

om de pen in het hart te dopen.

 

Ik was de bode die onder zijn pet

fluitend de ronde uit zijn benen reed

op eigen spierkracht Kerst bracht

en van lief tot lief de zacht toegelikte brief.

 

Tot ik van dorp en liefde los

op een verdieping werd verzorgd. Gisteren was er nog

de laatste toegewijde hand – hoe hij in plastic weende

en ik boven het masker in twee glazen ogen keek – ze lieten me gaan

 

terug naar Assent.

Daar loopt straks nog wel een kat

bij nacht over de strooiweide, dan huis ik weer

in de bloesems en dwarrel neer in mijn vertrouwde straten.

 

Lieve Desmet

Als wij – Mark Butaye

Als wij nu de doden tellen

of beter nog de adem die verdween

in zieke lucht die achterbleef

 

jouw naam verzinkt

de bodem in

hoe zal ik dit beheersen

die groet tot halverwege

 

stond nooit aan onze deur

de zeis, een kleine of die grote

die niet de onze was

wel pijn deed maar verbleekte

en hoe dan ook op afstand bleef

 

Hoe zal ik nu dit leven denken

de liefde, die mij toch vervallen zal.

 

 

Mark Butaye 

 

 

Niemands vriend (voor R.V) – Alain Delmotte

De heer R.V. werd in 1933 geboren en stierf op woensdag 1 april in het stedelijk ziekenhuis te Wetteren waar hij vier dagen eerder dringend werd opgenomen. De heer R.V. had enkele jaren geleden een beroerte gekregen en kon niet meer spreken. Hij stierf in aanwezigheid van zijn zoon. Zijn kleindochter is longarts in het UZ Gent en aldaar samen met haar 6 collega-longartsen actief in de COVID COHORTE, waar ze op volle toeren draait. Haar grootvader heeft ze dus tot haar eigen droefheid niet zelf kunnen verzorgen.

 

NIEMANDS VRIEND

 

Voor R.V. (1933 – 2020)

 

1.

 

Je beschikte enkel over een ziekbed om er alleen in te moeten zijn.

 

Je had alleen jezelf om van iedereen afscheid te kunnen nemen – hoezeer je zoon ook aanwezig was.

 

Nog voor je laatste woorden er waren, was je al sprakeloos: je hield ze helemaal verzwegen. Daarom dat niemand ze hoorde: je had er al te weinig adem voor en de dood had haast.

 

Ja, de dood had haast. Het moest vlug. Hij had het druk: er werd die dag wel erg veel op hem beroep gedaan, die niemands vriend.

 

2.

 

Al de tijd die je kleindochter als dokter aan anderen gaf: met die tijd kon ze je niet helen, met die tijd moest ze anderen genezen.

 

Met haar longen op intensieve zorgen kon ze je niet aan adem helpen. Ze was in de weer met de wereld – die liet haar niet los, die hield haar voor zich.

 

Ze klom, ze klom zich onvermoeid, met moed naar anderen toe. Bereiken kon ze je niet meer.

 

3.

 

Er is geen tijd om te treuren. We hebben haast: de dood is ons anders te vlug af. Je werd een stip in een statistiek. Droefheid werd uitgesteld.

 

Waar je nu ook bent, je bent er niet langer.

 

We hadden je nog veel te zeggen, vooral wat niet te zeggen valt.

 

We hadden je nog willen horen: je laatste woorden die je niet sprak, die ons ontbreken, die we zullen missen –

 

op die zullen we hopen.

 

 

Alain Delmotte

 

wat je met armen aanvangen kan (voor J.V.) – Astrid Haerens

Mijnheer JV werd geboren op  27 september 1930 en overleed in WZC Westervier in Brugge op 3 april aan de ziekte COVID-19. J was een energieke man met een passie voor sport en een optimistisch, eindeloos dankbaar hart.

 

Voor JV

 

wat je met armen aanvangen kan

 

je glijdt in het water, helder als nieuwe ogen, een golf adem

waarin scherven licht zweven en om elkaar heen tuimelen

als jongens, zie je het strekken van vingers, de draagkracht

van schouders, het zich optrekkend lichaam één vloeiend stuk

 

dan weer hijs je je omhoog, hoger wil je, van tak naar kruin naar berg

hoe daarboven de zon door de bladeren in duizend stukken breekt

tot het ruisen doorheen je oren je hoofd in kringt, je steekt je hand uit

trekt je geliefden naar je toe, stuwt ze almaar hoger

tot je kan laten zien hoe de verte in stilte groet

 

als een molen sta je in de wind en wijs je een richting

het noorden ligt achter je, het zuiden voorop, kijk toch maar

verder dan je denkt, met armen als wakkere wieken draai je
om je heen, hoe je van oost naar west je kompas hervindt

 

je vingertoppen schenken aandacht als regen die de tuin doet bloeien

waar vrienden buitelen, nieuwe stemmen stilstaan

groeien; een hand op een schouder, je bouwt een bed

waarin een hoofd zich neerlegt en droomt
van dieren, voettochten, kermispret

 

hoe je zwaait naar iedereen die, en toen, en dan,

kort geleden nog vanachter het raam, tot halsoverkop

voor het laatst zwaai je naar ons, bleef je maar

zwaaien in deze brute lente, aldoor zwaaien,

tot om de bocht.

 

 

Astrid Haerens