Eerste gedicht van Carl Norac

Het eerste gedicht van Carl Norac als nieuwe Dichter des Vaderlands is een ode aan de kracht van poëzie in de wereld van vandaag.

 

Gedicht voor het kind aan de rand van een blad

De poëzie maakt een nest van een amper geopende hand

nu eens volgt ze de lijnen aan de binnenkant,

dan weer leeft ze in een vuist.

Ze is de onvermoede ademtocht die in je toefde,

de tijd die zich over het ogenblik legt, en toch blijft duren.

Als je haar wilt temmen, neem dan een ander boek,

verlaat wie wil bepalen wat ze is.

Ze blijft een voorsprong houden, de vleugelslag

van de vogel die je tracht te vangen.

 

Het gedicht wacht niet op je.

Het is er, ook daar waar je het negeert.

Het probeert niet per se meer te stralen

dan een miezel die zich amuseert of een zon die zakt.

Een gedicht laat de bloemen niet groeien:

het is een woord tussen twee lippen,

de Aarde zal het wellicht niet redden,

maar het zal worden gehoord,

het openbaart geheimen, liefde, strijd.

Het zal nog zingen als anderen al knielen

of vluchten voor de massa gestrekte armen.

 

Vandaag zul je schrijven, zeg je.

Goed, ga je gang, werp je op de schoonheid.

Na een bladzijde, of na een paar verzen al

vind je soms het begin van een heelal.

Ik kijk je aan: vanochtend ben je een en al gedicht,

je weet dat je, om de wereld te vertellen,

dat gevoel moet kennen –

de oneindigheid van een ogenblik.

 

Vertaling: Katelijne De Vuyst, Brussels Vertalerscollectief

Met dank aan de Nationale Loterij en haar Spelers.
Met de steun van het Cultureel Samenwerkingsakkoord tussen de Franse en de Vlaamse Gemeenschap.