‘Bij nacht, het gevecht’, het elfde gedicht van Lisette Lombé
BIJ NACHT, HET GEVECHT
De eerste nacht mat je je steevast het meest af.
Je moet alles nog napluizen,
alles nog snappen.
Het is een hele klus
alle tekens onderling te verbinden
wanneer je beseft dat geen enkele vondst zomaar uit de lucht komt te vallen.
In mijn droom zwem ik in een meer. Een heel donker meer. Op de oever heb je geen idee hoeveel leven er in een water schuilt. Ik beweeg me tussen ontelbare soorten. Ik moet vertrouwen op mijn huid, zij zal me leiden. Algen glijden over mijn kuiten als zomerse grassen langs sommige wegen. En opeens wikkelt een meerval, hij is bijna zo lang als ik, zich om mijn middel en sleurt me mee in een lijf-aan-lijf dat een levende dans zou zijn als mijn leven niet werd bedreigd. Het meer loopt leeg en weldra blijft alleen onze strijd in het slijk over. We bedwingen elkaar, we verlammen elkaar. Vreemd genoeg ben ik niet bang. Niet voor zijn kleffe massa, niet voor zijn brandende snor. Ik heb het voordeel van de vaste grond. Herhaalde bewegingen van zijn mond. Opening. Mijn onderarm in de bek van het dier prangen. Ik vergat te zeggen dat ik een gele rubberhandschoen draag. Met gebalde vuist houd ik het beest in bedwang, belet het zijn gewone onderwerpingsstrategie toe te passen. Wapen van de huisvrouw. Weigering weg te zinken, weigering te stikken. Geen overwinnaar, geen verliezer. Ik ben niet bang.
De tweede nacht is nooit een calque
van het originele beeld.
De met de tong van het kind bevochtigde sticker
in de vuilnisbak
vreest de kortstondige tatoeages niet.
Het begint met de close-up van een reusachtige ratelslang. Ik weet niet waarom ik zo vasthoud aan het woord droom, de nachtmerrie niet accepteer. Ik ken niets van slangen. Ik zeg ratelslang vanwege het klepperende geluid en het soevereine onderbewustzijn. Ik ben niet alleen. Vlak voor de tanden van het reptiel staat, trillend en stram, mijn jongste zoon. Ik was vergeten waarop een pupil lijkt die voor het eerst met de dood wordt geconfronteerd. Achteloze beet. Eindeloze schubben. En ik, alert voor het vlees van mijn vlees. Springen. Een stok tussen de kaken van het monster klemmen. De gifstroom stoppen. Blokkeren. Uitdagen. Ertegen gaan staan. Ertussen gaan staan. Ervoor gaan staan. Ik ben je berg. Ik ben je metaal. Ik ben niet bang. Ik ben het warme bloed dat niet wegvloeit. Ik ben koelbloedigheid. Ik ben je moeder, trotse zuil die de vervelling forceert van afgebladderde mannelijkheid. Ik ben niet bang.
De derde nacht is voor de maan.
Onze ogen hoeven niet verbrand te zijn
om het geheim van de wereld te omhelzen.
Als ik droom is er nooit een gulden middenweg. Ofwel weet ik niets meer bij het ontwaken, ofwel blijft alles bestaan, houdt alles stand. Er is die straat. Geen steegje, een straat, op een ochtend, met arbeiders en arbeidsters die rechtdoor lopen. Er is die man die in de lach schiet als ik voorbijloop. Hij lacht omdat hij de leeftijd heeft van mijn vader en ik die van zijn dochter. Hij lacht omdat hij zojuist zijn lid uit zijn broek heeft gehaald om me te choqueren en omdat dat lukt. Priapisch personage, vettige grove tentakel die mijn heup likt. Hij lacht omdat ik de benen neem in plaats van hem een knie in de kloten te verkopen. Hij lacht. Ik klim een berm op. Vandaar zie ik hoe hij de brave papa speelt voor zijn kinderen die naar school vertrekken. Woede. Woede. Ik film hem met mijn telefoon. Ik wil dat iedereen zijn gezicht kent! Ik ben niet bang meer. De schaamte moet veranderen van kamp. Ik ben niet bang meer. Kronkels van de dromen. Teleportatie van de agressor. De man staat vlakbij met een reusachtige bijl in zijn hand. Ik grijp de steel vast. Krachtmeting met onzekere afloop. Als ik bezwijk, hakt het blad mijn voorhoofd doormidden. Niet bang meer. Niet bang meer. En ik duw de man achteruit en ik dwing hem te buigen en te plooien en knie op de grond en knecht en kots en larve en bezworen straffeloosheid. Liquidatie van het problematische heerschap. Weer op adem komen. Lucht insnuiven. Gaan zitten. Mijn ogen dichtdoen. Denken aan vechtende vrouwen. Moed in overvloed. Durf. Volharding.
Denken dat.
Vrouwen die vechten
het recht horen te hebben
niet te vechten
in hun slaap.
Vertaling : Katelijne de Vuyst

