‘Na de liefde, de liefde’, het negende gedicht van Lisette Lombé
NA DE LIEFDE, DE LIEFDE
Tijdens het avondeten merkte ik goed dat er iets scheelde.
Je zag bleek, een lege schelp, je was er en je was er niet.
Je at je frietjes met je bestek en niet met je vingers.
Verdwenen,
de beate glimlach van de vorige dagen, de tevreden zuchten
en de ambergele schijf van je aura.
Wie na een hoog opgelaaide passie
al heeft ervaren hoe gevoelens wegkwijnen,
herkent, tussen duizenden, de stilte van de vervreemding.
Toen ik je kamer binnenkwam om je zachte dromen toe te wensen, leek mijn hart uit mijn borst te zijn losgeraakt, klaar om te kloppen, als steun van alles wat in jou brak.
Je bed leek veranderd in een sarcofaag.
Je deken, een deksel van katoen.
Je gezicht, een aan volwassenen ontleend doods masker,
zonder reden afgeworpen.
Misschien had het me minder geschokt als je opgerold, in foetushouding, had gelegen en niet als een mummie, achtergelaten in het donker.
Ik vroeg hoe ik je helpen kon.
Je antwoordde dat niemand je helpen kon.
Dat ze niet meer van je hield.
Dat ze al een ander had.
In films neemt een moeder haar zoon in de armen, ze omhelst hem, wiegt hem alsof hij nog een zuigeling was.
En de zoon laat begaan.
En de zoon duwt zijn moeder niet weg als ze zegt:
Het gaat over, je zult wel zien.
Aan deze kant van het scherm zijn onze gebaren zo stram, zo klunzig, zo slecht geoefend in spontane reacties.
Het is niet niks zomaar te zeggen dat op de liefde altijd liefde volgt, terwijl je jezelf tegen eenzaamheid tracht te beschutten.
Belofte voor ons tweeën.
Je gouden haar, diadeem van de wanhoop.
Je tranen, kleine, stille kometen op je wangen.
Ik ben hier.
Vertaling : Katelijne de Vuyst

